“Papa heeft het zelf gedaan.”

Ze waren nog zo jong. Vier en twee jaar pas. Ik had ze net verteld dat papa dood was. Hoe kon ik in godsnaam ook nog vertellen dat hij die dood zelf had opgezocht? Dat het geen domme pech van een ongeluk of een hartaanval was geweest, maar zijn eigen voetstappen richting die trein? Mijn moederhart wilde hen beschermen. Dood was al onbegrijpelijk genoeg in hun jonge leven. Zelfdoding wilde ik het liefst buiten hun deur houden. Maar daarvoor was het te laat. Hun vader stierf de dag daarvoor zielsalleen op het spoor. Geen weg meer terug. Dus wachtte mij deze onmenselijke taak.

“Papa heeft het zelf gedaan.”

Ik zie de grote ogen van mijn vierjarige zoon nog voor me. Ze keken me vragend aan. “Waarom dan?” vroeg hij. Ik had geen antwoord. “Ik weet het niet, lieverd. Ik begrijp er helemaal niets van. Blijkbaar ging het niet goed met papa. Maar één ding weet ik wel. Ik weet heel zeker dat hij verschrikkelijk veel van ons hield.” Stil. Doodstil. Meer dan dit viel er niet te zeggen. Na een dikke knuffel gingen we weer verder. Meteen realiseerde ik me dat we deze vraag nog heel vaak zouden stellen. “Waarom?” We stonden met lege handen.

Misschien is dat wel waarom het een ingewikkeld thema blijft. Zelfdoding. Een lastig gespreksonderwerp. Omdat we met lege handen staan. Allemaal. We voelen diepe onmacht als maatschappij. Het confronteert ons niet alleen met ‘dood’, maar ook met wanhoop en pijn. Met de schaduwzijde van het leven. Met onze eigen schaduw. En dat blijkt bar ingewikkeld. Eerlijk is eerlijk, ik had het woord zelfdoding ook niet in mijn woordenboek staan. Ik had nooit gedacht over dit onderwerp na te moeten denken. Laat staan ervoor in de bres te springen. Maar gek genoeg is er die dag in november 2011 onbewust iets belangrijks in mij aangeraakt. Een diepe overtuiging over openheid.

Want hoe zwaar het me ook viel mijn kinderen te zeggen dat hun vader zelf een einde aan zijn leven had gemaakt, ik wilde dat niemand anders dan ikzelf het hen zou vertellen. Sindsdien heb ik nooit meer schroom gevoeld om te praten over zijn dood. En schaamte voor zijn zelfdoding? Dat heb ik nóóit gevoeld. Geen seconde. Ik ben er altijd open over geweest. Over de onmacht en wanhoop die mij het bracht. Over de vragen die het ons opleverde. Zelfs over mijn eigen zwarte momenten in de jaren na zijn dood. Paradoxaal genoeg zorgde mijn eigen pijn voor inzicht in zelfdoding. Ik ging het onbegrijpelijke begrijpen. Dat wanhoop zo groot kan zijn dat de dood je enige verlossing lijkt. En dat woorden geven aan die wanhoop dan je redding kan zijn.

Ik pleit ervoor, ik geloof in de kracht van openheid. Woorden die gesproken mogen worden. Het leven bestaat niet alleen uit geluk en voorspoed. Ook een kind ervaart dat, al is het in het klein. Bij het kwijtraken van een lievelingsknuffel of heimwee tijdens een logeerpartij. Mag verdriet gevoeld worden of wordt het zo snel mogelijk weggepoetst en opgelost? Geef kinderen alsjeblieft de ruimte te voelen en zich te uiten, op welke manier dan ook. Dit helpt hen als het leven op een dag grotere tegenslag brengt. Als we hardnekkig controle willen blijven houden op het leven, ontnemen we onszelf en onze kinderen de mogelijkheid te leren omgaan met teleurstelling, verdriet en pijn. Laten we hen helpen, als kostbare bagage op hun tocht door het leven. Bovendien planten we op die manier samen een belangrijk zaadje in onze maatschappij. Op weg naar minder schroom en angst voor de schaduwzijde van ons leven.

Onlangs was het zes jaar geleden. Zes jaar na die afschuwelijke dag waarop mijn man de dood vond. Ik vraag mijn zoon, inmiddels 10 jaar oud, wat hij zich nog kan herinneren van toen. “Ik weet nog dat ik dacht dat papa gedag had gezegd, maar dat was niet zo”, vertelt hij. We praten over hoe het die dag verliep. Dochterlief kan niet putten uit haar herinneringen. Maar ze vult met heel haar hart aan: “…en toen zagen we hem nóóit meer.” We zuchten en zijn even stil. Ja, de keiharde realiteit van toen en nu. Nooit meer. “Maar mama, ik vraag me soms af of je niet achter hem aan had kunnen gaan en hem tegen had kunnen houden.” Ik kijk mijn zoon begripvol aan. Wat snap ik zijn vraag goed, want wat heb ik hem mezelf ook vaak gesteld. Ik vertel de kinderen dat ik achter papa aan zou zijn gerend, als ik ook maar het flauwste vermoeden had gehad dat het zo slecht met hem ging. Maar dat ik destijds geen idee had dat hij zijn dood tegemoet liep. Als we verder praten over papa’s dood, komen we onherroepelijk uit op het feit dat hij niet heeft gepraat. Dat er waarschijnlijk kleine dingen groot zijn geworden, diep in hem verscholen. Over je eigen weg willen bewandelen in een maatschappij die soms zoveel moois, maar soms ook zoveel teleurstelling geeft. Over frustratie die je dan parten kan gaan spelen. We praten en begrijpen. We knuffelen en missen. Maar bovenal zijn we verbonden.

“Misschien had papa wel ruzie met zichzelf.” Ik ben stil van de woorden die mijn achtjarige dochter kiest. Het dappere meisje dat soms heel veel, soms heel weinig woorden heeft. Ik sla een arm om haar heen. Diepe trots en dankbaarheid voel ik. Voor de woorden die zij vindt. Op haar eigen tempo en manier.

Ruzie met jezelf. Dat is het precies.