Op het hart gedrukt

“Het wordt alleen maar erger”, zegt ze. Haar zoon overleed vijf jaar geleden. Emotioneel en lichamelijk houdt het verdriet haar in zijn greep. Ze heeft nog steeds het gevoel dat de wereld sneller gaat dan zijzelf. Ze is vaak ziek, heeft last van hoofdpijn en ervaart dat haar tranen in haar borst blijven steken. Als ze de flyer van mijn praktijk ergens ziet liggen, is ze opgelucht. “Precies op tijd”, vertelt ze me later.

Ik ontmoet een vrouw die gebukt gaat onder haar grote verlies. “Ik weet niet of ik dit kan dragen.” Toch zit ze hier. Ze wil hulp. Ik ontvang haar, luister naar haar verhaal en voel dat ze bereid is op pad te gaan in haar rouwlandschap. Samen gaan we terug in de tijd. We staan stil bij haar gezin van herkomst. Hoe groeide ze op? Hoe was ze als klein meisje? Vol vertrouwen werkt ze mee. Ze had verwacht dat we vooral en allereerst het verlies van haar zoon zouden ‘aanpakken’. Maar ze geeft zich over aan de weg die ik insla met haar. Ze vertelt me over haar jeugd. Al snel wordt duidelijk dat deze vrouw niet alleen het verdriet van haar overleden zoon meedraagt. We ontmoeten in haar een klein meisje, dat jarenlang in het donker tastte. Zoekend naar houvast en liefdevolle aandacht. Een meisje dat zich verantwoordelijk voelde en bang was om fouten te maken. Al heel vroeg had dit meisje besloten voor iedereen te zorgen. Voor iedereen, behalve voor zichzelf.

Ik zie haar als volwassen vrouw de kennismaking met het meisje in zichzelf serieus nemen. Ze leert de overlevingsstrategie kennen die al vanaf jonge leeftijd met haar meereist. Ze praat erover met haar moeder. Ook haar moeder zorgde vooral voor anderen, ontdekt ze. Het is confronterend. Want ze voelt en begrijpt nu opeens wat ze in het contact met haar moeder heeft gemist. Ze vertelt me op een dag dat ze opeens weer op haar buik is gaan slapen, zoals ze dat vroeger altijd deed. Jarenlang lukte dit haar niet vanwege rugklachten. Nu kruipt ze in de houding die haar vertrouwd is. Dicht bij het kleine meisje dat om aandacht vraagt.

“Wie ben ik?” Het is de vraag die opeens bovenaan komt te staan. Al op jonge leeftijd raakte ze zichzelf kwijt. De mening van anderen woog zwaar. Ze richtte haar aandacht naar buiten. Haar eigen gevoelens en behoeften nam ze niet serieus. Nu lijkt het tijd om dat wél te gaan doen. We staan stil bij haar kwaliteiten, verlangens en dromen. Het maakt haar enthousiast. Langzaam komt ze los van ‘wie ze denkt dat ze moet zijn’. Daarvoor in de plaats groeit ze naar wie ze werkelijk is. Ik loop vol vertrouwen en bewondering met haar mee.

Maar er is ook angst. Angst voor het grote verdriet. Zal ze nog wel kunnen stoppen met huilen, als ze die steen in haar lijf aandacht gaat geven? Ze heeft het verdriet om de dood van haar zoon vastgezet. Aanwijsbaar in haar lijf. Van jongs af aan is ze gewend geweest haar gevoelens bij zichzelf te houden. Toen het noodlot toesloeg en haar zoon overleed, sloeg ze haar verdriet op. Krampachtig. Ver weg. Het verzamelde zich in haar lijf en kon geen kant op. Als ik haar zichzelf en haar verdriet symbolisch laat opstellen met behulp van vloerankers, wil ze het verdriet niet neerleggen. “Het is van mij, het hoort bij mij, ik wil het ook niet kwijt.” Stijf tegen zich aangedrukt, houdt ze het harde verdriet vast. Ik geef haar ervoor in de plaats een kussen in de vorm van een hart. Zacht en warm. Ze drukt het tegen haar borst. En dan komen de tranen. Intense tranen uit de diepte van haar pijn. Tranen die eerder niet konden rollen. Als ze na een poosje ophoudt met huilen, zegt ze met grote verwondering: “Het is gestopt!”

Vanaf dat moment neemt ze letterlijk en figuurlijk ruimte voor haar verdriet. Ze durft het nu aan. De volgende afspraak vertelt ze me dat het beknepen gevoel in haar keel weg is. Ze is opgelucht. Ze illustreert het prachtig, als ze haar verdriet in de vorm van een zwaar meditatiekussen in haar handen pakt. “Kijk”, zegt ze, “toen ik hier binnenkwam lag dit op mijn schouders.” Ze legt het zware kussen op haar schouders om het uit te beelden. Ze ging er letterlijk onder gebukt. “Maar nu”, gaat ze verder, “houd ik het vol dankbaarheid vast.” Ze staat met haar benen wijd, stevig op de grond. Het meditatiekussen houdt ze met beiden handen vast. De blik in haar ogen ontroert me. Maakt me zelfs trots. Trots op haar! Hier staat een vrouw die haar verdriet heeft leren vasthouden. Niet meer krampachtig en hard, maar liefdevol en zacht.

Vorige week namen we afscheid. Ze heeft tranen in haar ogen als we praten over de afgelopen periode. “Ik ben blij, maar ook een beetje verdrietig dat we nu stoppen”, zegt ze. Ze heeft een cadeautje voor me meegenomen. Ik zeg haar natuurlijk dat dat niet nodig is. “Dat weet ik. Maar toen ik dit in de winkel zag, moest ik een traantje wegpinken,” vertelt ze. “Die ene keer, dat was een keerpunt en daar ben ik je enorm dankbaar voor.” Ik pak het cadeau uit en heb een beeldje in mijn hand. Een beeldje van een prachtige engel met een hart tegen zich aan gedrukt…

engel beeldje